Presentatie hoorzitting Kamer kunstenaarsstatuut

Inleiding: gedeeld standpunt
Graag willen wij de commissie bedanken dat ze alsnog de vakbonden uitnodigden in de tweede hoorzitting over het kunstenaarsstatuut. Het blijft een open vraag wat de motivatie van de regering is om een herziening van het statuut voor te bereiden en ook wat het eventuele budget is dat daarvoor wordt uitgetrokken. Dat neemt niet weg dat wij hier graag onze aanbevelingen willen toelichten.
We hebben met de sociale partners al een langer traject afgelegd om de knelpunten te bespreken en oplossingen uit te denken. Dit overleg gebeurde deels via onze werkgroep van de NAR maar ook binnen het overlegplatform ‘de adviesverleners’ waarin de Vlaamse sociale partners (samen met onze Waalse syndicale collega’s) advies inwinnen van bijvoorbeeld het Cultuurloket en rekenschap geven aan de input van belangenbehartigers van kunstenaars. Onze aanbevelingen kennen dus een breder draagvlak of zijn alleszins vanuit die intentie opgesteld.

Vandaar dat we als de twee grootste vakbonden ervoor kiezen voor een gezamenlijke presentatie, namens de syndicale bank zeg maar, om onze constructieve intentie uit te drukken in deze democratische zoektocht naar degelijke oplossingen. Dat is nodig. Want het onderwerp is complex en omvattend. Het lopende debat is rijk aan misverstanden en tegenspraak, met een polyfonie aan stemmen die soms een eigen agenda voor ogen hebben dat niet bepaald mikt op een verbetering van de sociale rechten van de kunstenaars.


Kortom, er staat veel op het spel, de emoties staan gespannen, actiecomités van cultuurwerkers en kunststudenten (ook hier aanwezig) vragen terecht om oplossingen en zullen dat ook blijven doen. Aan ons om die te leveren.

 

Context

 Voorafgaand schetsen we even een kader om onze positie te verduidelijken.

1= Als vakbonden stellen we helaas vast dat de precariteit van verschillende beroepsgroepen toeneemt. Wij zijn uiteraard voorstander voor het uitwerken van betere of nieuwe sociale statuten om die precariteit aan te pakken. In die zin delen we bijvoorbeeld de visie van de sociale beweging van cultuurwerkers, Les Intermittents in Frankrijk. Zij komen op voor les intermittents et des précaires: hun strijd beperkt zich niet tot het bekomen van voordelen voor de eigen beroepsgroep maar vertrekt vanuit een sociale zorg voor iedereen die het moeilijk heeft.

Dit betekent echter niet dat we de oplossing moeten zoeken in het uitbreiden of zelfs openbreken van het bestaande sociale statuut voor de kunstenaar. Laten we in dat geval nadenken over andere sociale statuten, specifiek per doelgroep, en laten we de huidige regelgeving die specifiek als noodzakelijke bescherming dient voor de cultuurwerkers daardoor niet verzwaren of onder druk zetten. 

2= Het kunstenaarsstatuut is een sociaal statuut om cultuurwerkers de bescherming te geven die ze als werknemers kunnen krijgen. Het is een statuut in de werkloosheid, het gaat dus niet om een afzonderlijk arbeidsrechtelijk statuut, naast de zelfstandige en het werknemerschap.

Het idee van zo’n apart statuut, soms omschreven in termen van ‘de autonome medewerker’, circuleert in bepaalde liberale middens als instrument om aan de sociale bijdrage te kunnen ontsnappen. Wij beschouwen deze piste als een gevaar voor het sociale statuut van de kunstenaar omdat het een drijfveer is om dit sociale statuut voortdurend ter discussie te stellen maar ook omdat zo’n afzonderlijk statuut zal resulteren in het tegenovergestelde van wat huidige sociale statuut beoogt, namelijk minder sociale bescherming en dus méér precariteit.

Hier willen we er ook op wijzen dat de werkloosheidsregels bestraffend werken, eerder dan motiverend, als stimulans om met een reguliere tewerkstelling zoveel mogelijk inkomen te genereren. Er is sprake van een management of distrust: het wantrouwen heerst, bij elk attest dat ontbreekt dreigt er een sanctie. Dat verhoogt de onzekerheid en precariteit. Het maakt kunstenaars ook vatbaarder voor de werkloosheidsval.

3= Zoals in de eerste hoorzitting al aan bod kwam, verschenen er de laatste jaren een aantal wetenschappelijke studies – waar we trouwens zelf aan meewerkten – die de precariteit van de cultuurwerker in kaart brengen. Die benadrukken de toenemende nood aan ondersteunend beleid.

We brengen het even in herinnering. Er was de studie ‘Loont passie’ die aangeeft dat veel cultuurwerkers in de regel verschillende jobs combineren binnen en buiten de kunsten en het is creatief puzzelen om financieel rond te komen. Creatievelingen blijken via bijberoepen zelf de grootste financiers van hun stiel te zijn. De passie voor kunst zorgt voor veel cultuurwerkers voor een hoge motivatie, maar daardoor riskeren ze inzake verloning en werkomstandigheden in de problemen te komen.

Uit een  enquête van het sociaal fonds voor podiumkunsten blijkt dan weer dat cultuurwerkers in de podiumkunsten en de muziek met plezier en engagement werken. Maar 47 procent geeft aan nood te hebben aan herstel, 26 procent zegt constant moe te zijn en rust nodig te hebben. Zonder maatregelen kan deze groep over een halfjaar uitvallen door ziekte. Vergeleken met andere beroepen ligt de motivatie veel hoger, maar de herstelnood ook.

Die combinatie is een valkuil: blijf je doorgaan tot je het deksel op de neus krijgt? Het lijkt wel een Nederlands scenario: na de cultuurbesparingen staken kunstenaars en artistieke organisaties een tandje bij om te bewijzen dat ze wel degelijk maatschappelijke meerwaarde bieden. Het was slechts een kwestie van tijd voor de getuigenissen over burn-out als popcorn uit een oververhitte pan opsprongen.

4= Aanvullend op deze studies willen we ook de aandacht vestigen op de specifieke arbeidsorganisatie in de cultuursector in België (vgl. Bijv. Duitsland meer loondienst). Die is atypisch, niet alleen omdat veel cultuurwerkers een atypisch profiel hebben – ze combineren opdrachten, werken projectmatig in verschillende samenwerkingsverbanden op onregelmatige tijdsstippen, hebben dikwijls helemaal geen vooruitzicht op economisch succes, enzovoort – maar ook omdat vergeleken met andere sectoren het niet zo is dat het merendeel van de verloning van de kant van de werkgevers komt. Doorgaans is het bijvoorbeeld zo dat creatievelingen pas aan de slag kunnen bij een museum of een theater op het moment dat hun creatie klaar is.

Veel medewerkers in pc 304 zijn tijdelijk tewerkgesteld. Het gaat daarbij niet enkel om artiesten. 60,4% van de werknemers van gesubsidieerde organisaties was in 2015 tewerkgesteld met een tijdelijk contract (bepaald duur, bepaald werk, vervangingscontract). Bij artiesten (werknemerscode 46) is dit gemiddeld 82,9%. Tijdelijke contracten zijn vooral te vinden in de jongste leeftijdsgroepen (jonger dan 30 jaar), maar bij artiesten ouder dan 50 jaar bedraagt dit toch nog steeds 57,4%. (bron sectorconvenant 17-18)

Als we naar de verloning van alle gepresteerde arbeid kijken, inclusief het creatieproces, dan zien we onmiskenbaar een atypische arbeidsorganisatie waarin de overheid tussenkomt om dat op te vangen. Via rechtstreekse steun aan kunstenaars om het creatieproces te financieren. Maar ook via het sociale statuut van de kunstenaar. Dat is vandaag de facto eveneens een vangnet voor kunstenaars die tijdens het scheppingsproces dikwijls op zichzelf aangewezen zijn. Het zou bijgevolg, zeker in tijden van besparingen, een zware aanslag zijn op de artistieke creatie zelf indien cultuurwerkers in perioden van werkloosheid moeten terugvallen op een minimumuitkering of lager en opgejaagd worden door de dienst arbeidsbemiddeling om een job in een andere sector te zoeken. Zo gaat er veel talent verloren, veel kunst die er nooit zal zijn, daar zijn we allemaal de dupe van.

Deze opmerking geldt evenzeer voor de artiesten die voornamelijk artistiek werk vertolken/uitvoeren, ook zij onderhouden buiten de periodes die gedekt zijn door een arbeidscontract hun talent.  Een muzikant die leeft van korte inspringcontracten komt niet meer aan de bak als hij niet zijn hoog niveau van spelen onderhoudt door zeer regelmatig te oefenen. 

            Gezien deze atypische arbeidsorganisatie is het ook begrijpelijk dat sommige werkgevers pleiten voor een basisinkomen voor kunstenaars: ze zijn zich bewust van de beperkte verloning die ze van hun kant bieden, ze voelen zich schuldig en willen van dit probleem af via een gedeelde verantwoordelijkheid met de overheid. Hun voorstel vertrekt vanuit een begrijpelijke bekommernis en getuigt van een sociale bezorgdheid. Desondanks zijn we van mening dat als de overheden dan toch initiatief willen nemen, dat we best beginnen met een versterken van het sociale statuut en vervolgens met extra middelen voor de projectsubsidies voor kunstenaars.

5= Zelfs als we de vorige punten buiten beschouwing laten, blijft er een voldoende argument waarom een sociale statuut specifiek voor de cultuurwerkers nodig is. Dat was ook de reden waarom de huidige de sociale zekerheidsregelgeving voor kunstenaars er kwam. Namelijk, door het atypische (of zeg maar grillige en gefragmenteerde) arbeidsprofiel van de kunstenaars is een duurzame opbouw van sociale zekerheid erg moeilijk. Zonder sociaal statuut is er sprake van discriminatie ten aanzien van andere beroepsgroepen.

Enige toelichting. Jarenlang was de opbouw van een sociale zekerheid lastig omdat het klassiek criterium om het statuut van zelfstandige of werknemer te onderscheiden de notie ‘gezag’ is. Dat is moeilijk aantoonbaar bij artistieke prestaties. Met als gevolg dat beeldende kunstenaars gedwongen werden te werken onder het zelfstandige statuut. (Voor het spektakelbedrijf was er wetgeving sinds 1969 dat ze als werknemer werden beschouwd) Maar dit statuut veronderstelt voldoende regelmatige inkomsten om zelf in sociale en financiële zekerheid te kunnen voorzien. Met verpaupering tot gevolg. De artikel1bis in de RSZ wet schakelt het criterium ‘gezag’ uit zodat we voor iedereen die een artistieke prestatie levert in opdracht kunnen stellen dat er een (weerlegbaar) vermoeden is dat er als werknemer wordt gewerkt. Zo kunnen kunstenaars alsnog aanspraak maken op het statuut van werknemer, meer bepaald de sociale bescherming die erbij hoort. (Wat ook betekent dat we diegene die het loon betaalt moeten als werkgever moeten beschouwen). Die nood is vandaag alleen maar groter geworden.


Aanbevelingen

Als vakbonden zijn we van mening dat de regering op korte termijn al heel wat resultaten kan bereiken. Voor sommige aanbevelingen die op de lange termijn mikken, kunnen we nu ook een traject opstarten en onderzoek verrichten naar de haalbaarheid en impact op het inkomen van artiesten. Deze regering kan de eerste bouwstenen leggen en daar ook de credits voor krijgen. Onze aanbevelingen voor wat beter kan in de creatieve sectoren zijn talrijk, maar we beperken ons tot wat voor de federale regering relevant is.

1_Inzake de kunstenaarskaart

*Inzake administratieve vereenvoudiging zou een digitale aanvraagprocedure met registratie via een database een oplossing zijn. Momenteel verloopt de aanvraagprocedure vlot voor diegene waar administratief kan beslist worden dat de kaart kan afgeleverd worden.

*Er is ook nood aan meer controle van het gebruik van de Kleine onkostenvergoedingsregeling (KVR) dat nu helaas al te dikwijls gebruikt wordt om sociale bijdragen te ontwijken. Registratie van gebruikte KVR per kaart via een digitaal platform is een manier om controle mogelijk te maken. Er is ook nood aan een sanctiebeleid in geval van misbruik.

*KVR diende als maatregel om kleine opdrachten binnen het veld van de amateurkunsten en kleine vzw’s te reguleren en zo zwart werk te vermijden. Om aan die intentie vast te houden, stellen we voor dat grote instellingen, zeker de 7 Vlaamse Kunstinstellingen die ten slotte toch over grote middelen beschikken, deze maatregel niet mogen gebruiken. We zouden ook grens kunnen bepalen, bijv. als een subsidie hoger is dan x Euro en een link leggen met producties die via taxshelter worden gefinancierd. 

Bijkomend komt er nog een nieuwe vorm van nettovergoeding door de maatregel onbelast bijverdienen. We vrezen opnieuw voor gevolgen voor de reguliere tewerkstelling. Ook kan het onbelast bijverdienen tot gevolg hebben dat artiesten door lage inkomen eerst aan netto-inkomen denken alvorens aan opbouw sociale zekerheidsrechten. Bijv. zelfstandige die op deze manier voor netto-inkomen kiest en tevens goedkoper is dan kostprijs werknemer of zelfstandige. 

2_ Taakloon

*RVA voerde recent een verstrengde interpretatie in van het begrip taakloon waardoor de afspraken tussen werknemer en werkgever over vergoeding volgens taakloon veel minder erkend worden in paritair comité 304, 227, 301.01 en 329. Dat bemoeilijkt de aanvraag en het behoud van het kunstenaarsstatuut. RVA koos voor een strengere interpretatie omdat ze vinden dat het teveel gebruikt wordt en er onregelmatigheden zijn.  Men oordeelt vaak ook dat taakloon in sectoren met cao’s waarin tijdsbepalingen staan en waarin het begrip ‘taakloon’ niet in de cao’s is ingeschreven niet kan. De redenering van RVA is niet correct, ten eerste zijn in onze cao’s ook vergoedingen ingeschreven die los staan van het exact aantal gewerkte uren en ten tweede werd de definitie van taakloon pas in 2014 in de wetgeving ingeschreven, een moment waarop deze cao’s met hun loonbepalingen waar RVA nu naar verwijst ook al bestonden.  (RVA had toen, bij de wetsontwerpen, deze bedenking moeten maken.

*Dat probleem kunnen we deels oplossen door te kijken naar wat de motivatie van cultuurwerkers is om voor de formule van taakloon te opteren: taakloon maakt het gemakkelijker om de hoge drempel van de aanvraag te halen. Dit komt door het feit dat veel arbeid niet als dusdanig erkend en betaald wordt. Van een violist die met tijdelijke contracten werkt, wordt bij aanvang van de tewerkstelling, de eerste repetitiedag, ook verwacht dat hij het stuk kent en voorbereid heeft. Maar de thuisstudie wordt niet apart vergoed en die tijd wordt vaak niet mee opgenomen in het contract. Een oplossing kan zijn: het verlagen van het aantal vereiste dagen voor de instap.  Want in een sector waar tijdelijke en vaak zeer korte contracten de regel zijn, is het zeer moeilijk voor een beginnend kunstenaar om aantal dagen in loondienst te halen die werkloosheidstoegang vereist op basis van de normale berekeningsregels. 

In ons overleg dat we recent hadden met Minister Peeters hebben we tot eind februari de tijd gekregen om zelf oplossingen voor te stellen.  Als sectoren waarin kunstenaars zijn tewerkgesteld kunnen we gaan bepalen voor welk soort van tewerkstellingen/opdrachten een taakloon een correcte vorm van vergoeden is in de sector, dit om enerzijds rechtszekerheid voor artiesten te verhogen en anderzijds om misbruik te voorkomen. Een delicate evenwichtsoefening ,met nadien nog steeds een interpretatiemarge en dus een onzekere uitkomst voor de artiest. Daarom moeten we ook nadenken over een lange termijnoplossing. 

*Een piste die door eerdere sprekers is voorgesteld is dat de definitie ‘taakloon’ die toegevoegd werd aan de cachetregel in 2014 te schrappen. Dan krijgen we een brede toepassing van de cachetregel. Dit is enkel haalbaar als ook de cumulregel wordt aangepast. De 90,10 Euro bv.ligt ook veel te laag en is niet conform de gemiddelde lonen volgens cao in de sector. Een dagloon in een gesubsidieerde kunstenorganisatie in Vlaanderen bedraagt minstens 117,04 Euro. Een artiest die tegen dit loon werkt en bijv. 2 weken is ingeschreven, verliest 3 dagen uitkeringen de maand daarop. Een bediende die een contract heeft van 2 weken verliest niets de maand daarop.  Als men deze piste overweegt, is er alleszins eerst een zeer grondige studie vereist waarin de impact op artiesten en hun inkomen grondig wordt bestudeerd.  Maar als oefening willen we dit zeker nader bekijken.  

3_Werkloosheidsregels

*Momenteel is het zo dat RVA en VDAB in verschillende regio’s de regels anders toepassen. In Antwerpen vereist men bijvoorbeeld 3 C4’s om een verlenging van het statuut te krijgen, in Gent doet men het correct en moet men 3 artistieke prestaties aantonen.

Dit gebeurt ook bij de interpretatie door RVA van het begrip artistieke activiteit. Dit kan betekenen dat één functie volgens het ene RVA-kantoor wel artistiek is en volgens een ander RVA-kantoor niet als artistieke functie wordt aanzien. Ook in de toepassing van art.10MB (taakloon, cachetregel) oordelen de verschillende WB’s verschillend. Dit creëert een ongelijkheid in behandeling die moeilijk te verantwoorden is. Zo werden door een uitbetalingsinstelling afgelopen zomer gelijkaardige dossiers in Brussel en Antwerpen ingediend; artiesten met gelijkaardige tewerkstellingen en gelijkaardige contracten deden gelijktijdig een aanvraag. In Antwerpen oordeelde RVA dat de werkzoekenden niet toelaatbaar waren, in Brussel echter wel. 

Uniformiteit en vereenvoudiging zijn bijgevolg nodig. Een centraal gecoördineerde werking wat betreft de kunstenaars is ook een optie, of toch minstens een betere toepassing van algemene richtlijnen. 

* Een ander voorstel is dat we met de sociale partners een regelmatig overleg organiseren specifiek over kunstenaars waar we onregelmatigheden kunnen signaleren of een bepaalde interpretatie betwisten en kunnen bespreken, los van een individueel werkloosheidsdossier.  In oktober 2016 werd de vraag gesteld aan RVA voor een dergelijk overleg.  Dit is toen niet gelukt. 

*Beschikbaarheid op de arbeidsmarkt van artiesten in een opstartfase.

Artiesten in hun opstartfase die een uitkering ontvangen, voldoen logischerwijze vaak niet aan de nodige arbeidsdagen om enkel beschikbaar te moeten zijn voor het beroep van artiest. Hiervoor moet men 156 dagen gewerkt hebben in een periode van 18 maanden.  Het uitbouwen van het beroep van artiest is zeer moeilijk indien men andere jobs moet aanvaarden. Er is in de werkloosheidsregels te weinig begrip voor het creatieproces en de tijd die dit vergt. 

4_Art1bis

*deze wetgeving is een knappe oplossing geweest voor artiesten, zodat een artiest hoewel men niet onder gezag werkt, toch aanzien wordt als werknemer en als dusdanig ook sociale rechten opbouwt en van een zekere bescherming geniet. 

In de praktijk wordt deze regeling helaas dikwijls gebruikt als lapmiddel om cao’s niet te moeten respecteren en dus onder de prijs te laten werken, of om sociale bijdragen niet te betalen. Dat is schijn 1bis zeg maar, een praktijk die we helaas vaak zien in de sector.

*Een oplossing is hier dat er meer controle komt bij derdebetalersconstructies en dat hoewel het arbeidsrecht niet geldt toch minstens de loonminima moeten gerespecteerd worden.

*Ook het idee van elektronisch platform van het type “student@work” kan worden opgezet. Dit platform heeft het overzicht van alle artistieke prestaties, of ze nu onder de kunstenaarskaart, een arbeidsovereenkomst of een kunstenaarsvisum vallen. Het zou, naast administratieve vereenvoudiging, ook het werk van de sociale inspectiediensten op dat vlak behoorlijk vergemakkelijken.

5_ Cumulregel 

*Cumulregel: de berekening zou per maand moeten zijn in plaats van per kwartaal. Vergeleken met andere beroepsgroepen worden kunstenaars nu benadeeld omdat ze door het aantal niet-vergoedbare dagen zo hun uitkering kunnen verliezen voor een kwartaal. 

*Tevens is een verhoging van het refertebedrag nodig zodat het aantal berekende dagen beter overeenkomt met een gemiddeld maandelijks loon. Nu verliezen cultuurwerkers veel dagen uitkering door de vertaaloefening van loon naar dagen.

 

6_Meer bevoegdheid voor de commissie kunstenaars

*Zoals controle op het goed gebruik van art1bis. Dat betekent dat de commissie niet alleen mag bepalen of het om een artistieke activiteit gaat maar bij aanvragen art1bis kan signaleren dat het eigenlijk over gevallen gaat waarin je wel met reguliere arbeidscontracten kan werken en een art1bis bijgevolg niet nodig is. 

*Een Nederlandstalige medewerker voor de Nederlandse kamer, ter ondersteuning van de voorzitter (op de vergadering gehoord dat de medewerker van start kan gaan op 1 februari).

*Meer inspraak kunstenaars van meerdere verschillende disciplines. We zouden met een artiestenjury kunnen werken die al een voorbereidend advies formuleren of mee aanwezig zijn als kunstenaar uitgenodigd wordt om zijn aanvraag toe te lichten. Op deze manier willen we dat de commissie ook in de toekomst goede beoordelingen kan blijven maken, want kunst is constant in evolutie. 

*Digitalisering kunstenaarskaart én visum. (Zie eerste aanbeveling)

 

*Beslissing commissie over artistieke activiteiten moet rechtszekerheid geven dat ook andere instanties deze beslissing volgen. Voor de opening van het recht op werkloosheidsuitkeringen heeft de RVA een eigen beoordelings- en beslissingsbevoegdheid. In de praktijk gaat RVA uit van een lijst van beroepen die hij als artistiek beschouwt waarbij elk dossier apart onderzocht wordt. Hij is geenszins gebonden door de beslissing van de commissie “Kunstenaars” ter zake. 

Het kan dan ook gebeuren dat een kunstenaar als zodanig werd erkend door de commissie “Kunstenaars” zonder dat hij volgens de interpretatie van de RVA rechten op een werkloosheidsuitkering kan openen.

7_ Auteursrecht

De uitbetaling van rechten is voor veel artiesten een bron van inkomen, maar er is nog veel onduidelijkheid en onzekerheid over de sociale en fiscale heffingen. Een artiest-werknemer met tijdelijke contracten moet ook jaarlijks een inschatting maken over de rechten die zullen uitbetaald worden. Dit is zeer moeilijk en de sancties als men dit heeft nagelaten is groot.  

Daarbij komt dat artiesten niet mee genieten van de exploitatie van hun rechten voor hun werk dat online (streaming) wordt verdeeld.  Ze hebben door een kwetsbare onderhandelingspositie vaak hun rechten verkocht tegen een te lage prijs. 

Ook denken we aan de dienstverlening sociale secretariaten voor organisaties die slechts sporadisch personeel in dienst hebben.  In de praktijk spreekt de artiest een factuurbedrag af en betaalt men zelf de kosten die worden aangerekend door een SBK of door een derdebetaler.

8_Cultuursubsidies

Bij subsidiëring van projecten en structuren (via overheid of fondsen) is het van belang dat er nadrukkelijk gekeken wordt naar de werkelijke kosten van de tewerkstelling die de intenties van een aanvraag impliceert. Honoraria moeten duidelijk begroot zijn en voldoende hoog en gecontroleerd worden bij de afrekening


9_De invoering van een minimale dagvergoeding

 

Geldig voor alle kunstenaars, ongeacht de sector waarin ze werken en met welk statuut (zelfstandigen, werken met AO, werken onder 1bis) ze werken. Voorbeeld Nederland: in de cao voor de Nederlandse Podia en de cao voor Toneel en Dans is overeengekomen dat het uurtarief voor zzp’ers minimaal 30% hoger dient te liggen dan het uurtarief voor een werknemer die dezelfde werkzaamheden verricht. Er is ook een motie aangenomen die het mogelijk maakt dat vakbond onderhandelt voor de vergoedingen van zzp’ers. 

Acod en lbc werken aan tariefberekenaar via app, als ondersteunend instrument voor kunstenaars bij onderhandelingen. Onze doelstelling is dat deze loonwijzer zich vertaalt in beleid.

10_Taxshelter 

Deze regering zette hard in op dit fiscaal instrument. Dat zorgde voor een instroom aan middelen en dus ook voor een toename aan artistieke projecten. Maatregelen en opvolging zijn nodig zodat deze middelen ook doorstromen naar een verbetering verloning kunstenaars.  We willen dit instrument binnen enige tijd ook samen evalueren en gehoord worden over verbeteringen bij ongewenste neveneffecten. 


Ine Hermans LBC-NVK

Robrecht vanderbeeken ACOD Cultuur